Ontwikkelingen in de erfrechtelijke positie van de langstlevende

Het thema van deze uitgave van Jurist in Bedrijf (JIB) is Ontwikkeling. Dat begrip mag ik van de redactie gelukkig ruim uitleggen. Daardoor kan ik het als alumnus van de UM inpassen in mijn dagelijkse werkzaamheden als kandidaat-notaris.

Mr Ernst Loendersloot, Senior kandidaat notaris te Maastricht. Fotografie door Truus van Gog.

Mr Ernst Loendersloot, Senior kandidaat notaris te Maastricht. Fotografie door Truus van Gog.

Ik wil u daarom een korte schets geven van de wijze waarop de positie van langstlevende in het erfrecht geregeld was en nu is. Daarbij pretendeer ik niet een alles omvattend overzicht te geven.

Begin 20e eeuw: langstlevende telt niet mee
Begin van de vorige eeuw was de positie van de echtgeno(o)t(e) bij het overlijden van de andere partner simpel samen te vatten als slecht. De langstlevende was op grond van de wet geen erfgenaam en deelde dus niet mee in de erfenis.

Het vermogen dat (wellicht mede door de inspanningen van de langstlevende) was opgebouwd door de overledene ging over op diens afstammelingen. Bij gebreke van (klein)kinderen, vererfde het vermogen naar de ouders (of andere familieleden) van de overledene.

De leidende gedachte hierbij was de bloedband. Die werd door de wetgever beter beschermd dan de band tussen man en vrouw. De langstlevende had weinig tot geen wettelijke rechten. Pas in 1923 kreeg de echtgeno(o)t(e) een wettelijk recht op een erfdeel.

Langstlevende erft mee, maar kinderen kunnen hun erfdeel opeisen
Jaren ’60 van de 20e eeuw: langstlevende testamenten komen op
In de jaren ’60 van de vorige eeuw bood de wet in artikel 1167 van Boek 4 Burgerlijk wetboek (BW) de mogelijkheid om de langstlevende te beschermen tegen de claims van de (klein)kinderen. Het geheel ontnemen van een kindsdeel was feitelijk niet mogelijk, omdat afstammelingen recht hadden op hun legitieme in goederen. Ongeacht wat de overledene wenste te regelen, voorkomen dat de kinderen aan tafel zaten om te beslissen over de verdeling van de inboedel en andere zaken was niet mogelijk.

Wel bleek dat de langstlevende beschermd kon worden door in een zogeheten langstlevende testament een (ouderlijke) boedelverdeling op te nemen. De testateur bepaalde simpelweg dat de kinderen hun erfenis niet in goederen zouden krijgen, maar in de vorm van een claim op de langstlevende. Deze claim was in geld en de testateur bepaalde dat deze alleen uitbetaald hoefde te worden door de langstlevende in specifieke situaties, zoals overlijden, faillissement of hertrouwen van de langstlevende.

Toch was dit niet een waterdichte oplossing, aangezien deze gestoeld was op de gedachte dat echtgenoten elkaar het nodige dienden te verschaffen, ook na hun overlijden. Was de erfenis omvangrijk genoeg, of was het weduwe-pensioen hoog genoeg, dan konden de (klein)kinderen toch uitbetaling van hun erfenis eisen.

 Legitieme portie ouders vervalt. Uitkomst voor samenwoners zonder kinderen
Dankzij de langstlevende testamenten, konden echtgenoten dus voorkomen dat de kinderen de langstlevende “konden uitkleden”.

Maar voor samenwonende en kinderloze koppels was het desondanks niet mogelijk om de erfenis geheel ten goede te laten komen aan de langstlevende. Dit, omdat de ouders van de overleden partner recht hadden op de (ouderlijke) legitieme portie. Ongeacht wat de overledene zelf geregeld had in een testament, konden zijn of haar ouders die regeling doorkruisen met een beroep op hun legitieme portie.

Je kon stellen dat wederom de bloedband voorrang diende te hebben op de positie van de langstlevende. Pas per 1 januari 1996 is de regeling van de legitieme portie van de ouders vervallen.

Wettelijke verdeling, Monica Lewinsky-clausule en legitieme portie kinderen in geld worden ingevoerd
In 2003 is, na een heel lang wetgevingsproces, een gewijzigd Boek 4 van het Burgerlijk wetboek ingevoerd. Dit zogeheten nieuwe erfrecht is een voorlopig eindpunt in de ontwikkeling van de erfrechtelijke positie van de langstlevende.

Allereerst werd de verdeling van de erfenis in de wet verankerd. Die nieuwe regeling is gebaseerd op de voor die tijd populaire ouderlijke boedelverdelingen in testamenten. Is men getrouwd en heeft men kinderen, dan zorgt de wettelijke regeling er voor dat afstammelingen hun kindsdeel pas kunnen opeisen nadat de langstlevende overleden is of failliet is verklaard. Echtgenoten hoeven dus geen maatregelen te nemen om de erfenis aan de langstlevende te doen toekomen.

Gaat het om samenwoners met kinderen (al dan niet uit een eerdere relatie) dan zijn wel extra handelingen vereist. In het notariaat gebruikt men dan de term Monica Lewinsky-clausule omdat het gaat om een andere partner dan een echtgeno(o)t(e). Wenst men deze te beschermen tegen de kinderen, dan moet er een samenlevingscontract zijn en moet in een testament een quasi-wettelijke verdeling zijn opgenomen. Daarmee is geregeld dat de erfenis eerst naar de partner toe gaat.

Ook is vastgelegd dat een beroep op de legitieme portie door een kind niet er toe leidt dat het kind “aan tafel komt te zitten”. De legitieme portie wordt namelijk omgezet in een vordering puur in geld. Daarnaast kan nog geregeld worden dat de afstammelingen deze vordering pas uitbetaald krijgen nadat de langstlevende (echtgenoot of samenwonende partner) eveneens overleden is.

Van bescherming van het familiekapitaal ten nadele van de weduwe naar bescherming van de langstlevende (samenwonende) partner. Een lange weg, maar nog niet helemaal afgerond
Zoals aangegeven was de weduwe of weduwnaar begin vorige eeuw geen erfgenaam bij overlijden. De erfenis (ook wel te zien als het familiekapitaal) moest terecht komen bij de afstammelingen. Bij ontbreken van afstammelingen werd de bloedband belangrijker gevonden dan de langstlevende, dit blijkt uit het feit dat de familie van de overledene dan erfgenaam was.

Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw is langzaam maar zeker de positie van de langstlevende versterkt. Niet alleen doordat deze ook wettelijk erfgenaam werd, maar ook omdat in een testament de zogeheten ouderlijke boedelverdeling opgenomen kon worden. De afstammelingen konden hun erfdeel pas opeisen in de situaties die hun ouder in het testament had bepaald. Hierdoor was de langstlevende beschermd tegen de (stief)kinderen.

Dit geluk was samenwoners echter niet gegeven. Sterker nog: samenwoners zonder kinderen moesten rekening houden met de legitieme portie van de ouders van de overledene. Deze konden uitbetaling eisen van de langstlevende.

Begin 21e eeuw is in de wet geregeld dat echtgenoten (of geregistreerd partners) geen testament meer op hoeven te stellen om de langstlevende te beschermen tegen op geld beluste (klein)kinderen. Dat is geregeld in de zogeheten wettelijke verdeling.

Samenwoners daarentegen moeten wel nog maatregelen nemen. Zonder amenlevingscontract en testament hebben de (klein)kinderen wel direct recht op uitbetaling van hun erfdeel.

De ontwikkeling van het erfrecht in de achter ons liggende eeuw, is er dus een van bloedband naar relatie-band. Voorheen moest het kapitaal binnen de familie blijven. Het was niet van jou, maar je hield het voor de volgende generatie (van de familie). Nu zijn we ver op weg naar het gegeven dat het jouw eigen vermogen is waar je (bijna alles) mee mag doen en laten wat jij wil. Alleen dient daarvoor wel nog de legitieme portie van een (klein)kind geheel te worden afgeschaft.

Printversie

In iedere getrouwde man schuilt een pantoffelheld. Oftewel: wie heeft de broek aan thuis ?

In iedere getrouwde man schuilt een pantoffelheld.
oftewel: Wie heeft de broek aan thuis ?

Voordat ik in ga op de bovenstaande vraag, heeft de redactie mij gevraagd u kort mijn professionele achtergrond te schetsen. Graag voldoe ik aan dat verzoek.

Mr Ernst Loendersloot, Senior kandidaat notaris te Maastricht. Fotografie door Truus van Gog.

Mr Ernst Loendersloot, Senior kandidaat notaris te Maastricht. Fotografie door Truus van Gog.

In 1988 ben ik aan mijn studie Nederlands recht in Maastricht begonnen die ik in 1992 met goed gevolg heb afgerond. Na een één-jarige post-doctorale studie Europees en Internationaal recht aan de UM, heb ik vervolgens in twee jaar tijd aan de Universiteit van Amsterdam de studie Notarieel recht met succes afgesloten. Daarna ben ik als kandidaat-notaris in Midden-Limburg gaan werken. Ik ben nog steeds als zodanig werkzaam, maar nu in Maastricht. Tijdens mijn eerste drie jaren als kandidaat-notaris heb ik ook nog de (verplichte) beroepsopleiding gevolgd.

Naast mijn werk, schrijf ik geregeld columns over notarieel-juridische onderwerpen voor onder meer OverGeld van de Telegraaf, een vakblad voor hypotheekadviseurs van Kluwer, De Scherpe Pen (site voor makelaars) en publiceer ik die ook allemaal op mijn eigen site, ntrs.nl. Voor meer informatie verwijs ik u graag naar mijn LinkedIn profiel.

Artikel 1:88 Burgerlijk wetboek (BW).
Wie heeft het voor het zeggen in een relatie ?
Tijdens mijn laatste, mondelinge, examen voor de beroepsopleiding Notariaat werd uitgebreid stilgestaan bij artikel 88 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek (hierna ook: art. 1:88 BW). Toen de redactie aangaf dat het thema van dit nummer macht was, moest ik onmiddellijk aan dit wetsartikel terugdenken.

Door art. 1:88 BW worden de machtsverhoudingen binnen een huwelijk of een geregistreerd partnerschap (GP), gelijk getrokken worden. Bepaalde (rechts)handelingen kan de ene partner namelijk niet verrichten zonder medewerking van de ander. Die dient namelijk toestemming te geven voor de in dat artikel omschreven verrichtingen. Ontbreekt deze toestemming, dan is de rechtshandeling nietig of vernietigbaar. De partner die een overeenkomst wil aangaan, lijkt misschien de machtigste partij in de relatie, maar heeft juridisch gezien het heft toch niet in handen.

Een paar korte voorbeelden
Art. 1:88 BW heeft op vele rechtsgebieden invloed.

Bijvoorbeeld in het personen en familierecht. Als de ene partner een boven-matige schenking wil doen, moet de ander dit goedkeuren. Zelfs als de schenking gedaan wordt uit vermogen dat niet van die andere partner is. Zie hiervoor sub b lid 1 van art. 1:88 BW.

Maar ook op het terrein van rechtspersonenrecht speelt art. 1:88 BW een rol. Bijvoorbeeld als de ene echtgenoot zijn of haar onderneming dan wel de aandelen daarin wil overdragen. Normaal is dat geen probleem, maar als er bijvoorbeeld vergaande balansgaranties gegeven worden, kan art. 1:88 lid 1 sub c BW een rol spelen.

Tijdens mijn examen werd echter de nadruk gelegd op hetgeen onder sub a in lid 1 van art. 1:88 BW is geregeld. Dit betreft de registergoederenpraktijk. Ik zal hierna een fictieve situatie schetsen.

Uitgebreider voorbeeld (dat anders uitpakt dan u misschien denkt)
Een man heeft geld gekregen via een schenking. De schenker heeft daarbij bepaald dat het geschonken bedrag niet gedeeld hoeft te worden met de partner bij echtscheiding, de zogeheten uitsluitings- of anti-schoondochter-clausule.

De man koopt met zijn geld een vakantiewoning in Zeeland en laat deze volledig op zijn naam registreren bij het Kadaster. Hij en zijn echtgenote reizen iedere vrijdagmiddag na het werk naar Zeeland en komen maandagochtend terug voor hun baan in Maastricht. In Maastricht wonen zij door de week in een kleine huurwoning.

Na zeven jaar wil de man de woning in Zeeland verkopen. De notaris die de eigendomsoverdracht begeleidt is van mening dat de man dit alleen kan doen als zijn echtgenote hiervoor toestemming verleent, als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub a BW. De echtgenote moet namelijk toestemming geven voor “overeenkomsten strekkende tot vervreemding van een door de echtgenoten tezamen bewoonde woning”. Die laatste wordt ook wel met “de echtelijke woning” aangeduid.

Dat is niet geheel correct omdat het gaat om iedere woning waar een echtpaar (geregeld) verblijft. Dat kan ook een vakantiewoning zijn waar men vaak verblijft, zoals in dit (fictieve) geval.

Conclusie: de man heeft niet de broek aan en is een pantoffelheld
Alhoewel de woning volledig eigendom is van de man en hij die ook helemaal met eigen geld (uit de schenking met de privé-clausule) betaald heeft, kan hij de woning niet rechtsgeldig verkopen en leveren zonder toestemming van zijn echtgenote.

Het lijkt dus alsof hij het voor het zeggen heeft, maar in de praktijk heeft zijn echtgenote een veto-recht. Niet hij, maar zij blijkt de machtigste partij te zijn in hun relatie.

Mocht u op de hoogte willen blijven van dit soort notarieel-juridische zaken, dan kunt u zich op mijn site (ntrs.nl) eenvoudig abonneren op mijn nieuwsbrief.

Printversie

Deze column is geschreven voor een magazine van Jurist in Bedrijf, namelijk Jurist in Bedrijf, hét faculteitsblad van de rechtenfaculteit van de Universiteit van Maastricht.
Dit blad wordt verstrekt onder de studenten van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Hiermee houdt Jurist in Bedrijf de rechtenstudent op de hoogte over alles wat speelt in de juridische wereld vandaag de dag en wordt inzage gegeven in de sfeer bij diverse nationale en internationale topkantoren.